Hunebedden in verhouding

Over oriëntatiepatronen bij hunebedden en vergrote dolmens

De website is gewijzigd. Dit is nog een oude pagina. Klik hier voor de nieuwe pagina.

Uitlijning op Alpha Crux [17]

Op pagina D22 en vergrote dolmens wordt het verband beschreven tussen het kelderpatroon van enkele dolmens en de 167º en 193º azimut. Deze waarden sluiten nauw aan bij het onderzoek van González-García en Costa-Ferrer (voortaan GG&CF - zie de pagina Eerder onderzoek). Beide assen spiegelen elkaar om het zuiden en komen in het Mecklenburg van 3550 v.Chr. overeen met een declinatie van -35½º. Dit valt samen met de periode dat de dolmens in gebruik waren.
Bij D22 klopt het beeld niet helemaal en zit er een afwijking van -2º in de declinatie. Dit hunebed was rond 3200 v.Chr. in gebruik. In Drente hoort op dat moment bij azimut 167º en 193º een declinatie van -37º. De waarde -35º bij GG&CF betreft echter de gemiddelde top van een frequentiegrafiek, terwijl de bijbehorende frequentietabel duidelijk een uitschieter bij -37º laten zien.
GG&CF noemen een zestal sterren, die voor een eventuele uitlijning in aanmerking komen: de vier sterren van Crux en alpha en beta Centaurus [18]. Van Mecklenburg 3550 v.Chr. naar Drente 3200 v.Chr. verplaatsen de betreffende sterren zich met ongeveer -1¾º aan declinatie. Dit stemt overeen met het verschil in declinatie.

Er prijken zoveel sterren aan de hemel, dat er bij iedere azimut wel enkele bijpassende sterren kunnen worden gevonden [19]. In de eerste plaats gaat het om de vraag of een uitlijning tot de mogelijkheden behoort en verder is het alleen maar aardig te weten welke ster de beste kandidaat is. Van de genoemde sterren komt alpha Crux het meest in aanmerking. Alpha en beta Centaurus bereiken met hun opkomst in Mecklenburg pas na 2800 v.Chr. azimut 167º. Tegen die tijd is de TRB cultuur daar al afgelopen. De opkomst van alpha Crux daarentegen rond 3550 v.Chr. in Mecklenburg (Frauenmark) en 3200 v.Chr. in Drente (Bronneger) valt samen met azimut 167º.

Van D22 dateren de vroegste vondsten uit de Brindley 3 horizont, wat overeen komt met 3300-3200 v.Chr. Dit hunebed met het kelderpatroon van een vergroot dolmen (zie de pagina D22 en vergrote dolmens) lijkt te zijn opgericht in dezelfde periode dat alpha Crux in Mecklenburg voorgoed onder de horizon verdwijnt (3200 v.Chr.). Rond die tijd loopt in Mecklenburg de TRB cultuur ten einde. Even later doen zich in Drente invloeden uit de Kugelamphoren Kultur (KAK) gelden. Deze vindt zijn oorsprong in Kujawien (Oost-groep) en heeft zich van daar naar het westen verspreid [20]. Kujawish-achtige cultuurelementen worden in Havelte E gevonden. Bakker merkt hierover op [21], dat er zoveel overeenkomst is, dat je ervan uit moet gaan dat de ontwikkeling hier 'een stootje' meegekregen heeft, ook al betekent dat een diffusie over honderden kilometers. Zou het kunnen zijn, dat de slotfase van de TRB in Mecklenburg (inclusief KAK-invloeden) werd meegenomen naar deze regionen? Een vergelijkbare ontwikkeling doet zich namelijk rond die tijd in Sleeswijk-Holstein voor. Vandaar verplaatst de laatste fase van de TRB zich zuidwestelijk tot over de Weser en wordt het oorspronkelijke gebied door de enkelgrafcultuur bezet [22]. Enkele honderden jaren later loopt op de nieuwe plek (Osnabrück, Drente) de TRB toch ook ten einde - rond 2800 v.Chr. als dan daar alpha Crux voorgoed verdwijnt.

Hoewel alpha Crux een geschikte kanditaat is, kan daaruit niet worden geconcludeerd, dat de betreffende oriëntaties ook daadwerkelijk uitlijningen zijn. Het gegeven, dat het oriëntatiepatroon voor 167º behalve in D22 ook in D21 wordt gevonden (zie de pagina D13, D21 en D22) geeft te denken. D21 heeft als vroegste vondstenlaag horizont 1 (3400 v.Chr.) Alpha Crux kwam toen bij 164º op. Bovendien lijkt dit niet de enige 'miswijzing' te zijn. Het rooster op 43º kan bijv. via de 133º (43º+90º) met het wintersolstitium in verband worden gebracht ... maar dan wel op de breedtegraad van Sleeswijk-Holstein en Mecklenburg. Andere waardes die niet helemaal lijken te kloppen zijn de 117º en 140º van de onderlinge oriëntaties (zie de pagina Hunebedden met satelieten). Deze oriëntaties liggen dicht bij de kleine en grote maanstilstand, maar zijn het ook net niet helemaal. Wellicht was de ideale constructie belangrijker dan de werkelijke uitlijning. Dit hoeft niet eens zo vreemd te zijn als we bedenken, dat de azimut van een ster met de opkomst op 167º bij een noord/zuid-verplaatsing van maar 15 km al 1º verschuift. In 100 jaar verplaatst hij 3º. De beperktheid van een directe uitlijning op deze sterren wordt dus in een mensenleven zichtbaar. Bij de constructie van een oriëntatiepatroon moet mogelijk meer waarde aan de symboliek worden gehecht dan aan de uitlijning zelf. Een oriëntatiepatroon kan dan worden beschouwd als de fossiele weergave van een initiële setting, die in een 'centrum' werd ontwikkeld. Daarbij kan (zoals hierboven) worden gedacht aan de zuidwaartse verhuizing van een groep zonder dat men de constructiewijze aanpaste, maar ook aan een 'school' van vaklieden, die in een groot gebied dezelfde constructietechnieken toepaste. De voorkeur voor één van beiden hangt af van hoe afgebakend dan wel diffuus de verspreiding van cultuurelementen moet worden gezien (afwisseling van culturen versus onderlinge beïnvloeding).