Hunebedden in verhouding

Over oriŽntatiepatronen bij hunebedden en vergrote dolmens

De website is gewijzigd. Dit is nog een oude pagina. Klik hier voor de nieuwe pagina.

D22 en vergrote dolmens

NB: De plattegronden op deze pagina zijn getekend op basis van:
- Bronneger D22 - opgravingsplattegrond [11]
- Heveskesklooster D5 - opgravingsplattegrond [12]
- Serrahn 540 - opgravingsplattegrond [13]
- Serrahn 541 - veldplattegrond [14]
- Barkvieren 92 - eigen metingen
- Frauenmark 632 - eigen metingen


Hunebed D22 bezit enkele opvallende kenmerken. Sluitsteen S2 staat met de vlakke kant naar buiten in plaats van naar binnen. In de lengte bestaat de kelderwand aan de ene kant uit twee en aan de andere kant uit drie draagstenen. Vanwege de aaneenschakeling van trilithons hebben hunebedden over het algmeen evenveel draagstenen in beide wanden. Twee van de drie (Z1'a en Z1'b) werden door van Giffen in eerste instantie voor ťťn aangezien (als Z1'). Pas bij de opgraving van het hunebed bleken er twee kleine in plaats van ťťn normale draagsteen te zijn gebruikt. Tot slot zijn de afstanden tussen de draagstenen vrij klein en lijkt D22 daardoor meer op een vergroot dolmen dan op de andere hunebedden.

Tijdens een survey van dolmen-plattegronden in Mecklenburg, kwam bij Serrahn 541 een vergelijkbare plattegrond als bij D22 tevoorschijn. Van Serrahn 541 bestaat geen opgravingsplattegrond en het dolmen is tijdens het machtsvacuŁm in de overgangsfase van Oost- naar het verenigd Duitsland door de landeigenaar verwijderd. Helaas kunnen we dus niet over een nauwkeurige plattegrond beschikken. De kelders van D22 en Serrahn 541 zijn gelijkvormig, maar verschillen in formaat. In D22 valt de positie van de uitsparing van de merkwaardige dubbelsteen Z1' samen met de positie van de scheidingswand in Serrahn 541. Bovendien blijkt de buitenkant van sluitsteen S2 in D22 op dezelfde schuine lijn te staan als de binnenkant van de overeenkomende steen bij Serrahn 541. Deze gelijkvormigheid met de gespiegelde sluitsteen kan nauwelijks bij toeval zijn ontstaan. Naderhand werd het kelderpatroon van D22 en Serrahn 541 bij nog twee vergrote dolmens in Mecklenburg teruggevonden. Eťn naar aanleiding van de opgraving door Schuldt in 1967 (Serrahn 540) en de ander op basis van eigen metingen (Frauenmark 632). Serrahn 541 speelt een dubbelrol. Het patroon is in de keldervorm gespiegeld aanwezig: enerzijds, zoals bij D22 met een sluitsteen (de twee rechter plattegronden hieronder) en anderzijds, zoals bij de vergrote dolmens met een schuin geplaatste drempelsteen (de drie linker).


Van links naar rechts: Bronneger D22, Serrahn 541, bis, Serrahn 540 en Frauenmark 632.

Gezien de grote afstand tussen D22 en de dolmens in Mecklenburg (ruim 400 km) kan het patroon nauwelijks het gevolg zijn van simpelweg kopiŽren. Na enig puzzelwerk werd een passende constructie voor de keldervorm gevonden, die gemakkelijk kan worden onthouden. Daarmee kan na verstrijken van lange tijd en op ver van elkaar verwijderde plaatsen steeds hetzelfde patroon zijn verkregen. Het begint ermee, dat de schuine afsluiting van de dolmen kan worden bereikt met een diagonaal in een dubbel vierkant. Hier levert de verhouding 1:2 een hoek van 117ļ, gelijk aan die tussen de afsluiting en de lengterichting. Deze diagonaal wordt driemaal rond getrokken, waarna een ingesloten rechthoekige driehoek ontstaat. De top van de driehoek wordt ingeklemd door een aan de basis parallel lopende lijn. De ontstane figuur bepaalt de vorm van de kelder (lichtrood in de figuur).

De vraag is of er bij de constructie in een vierkantrooster geen sprake is van een cirkelredenering. De rechte hoek wordt immers in het rooster uitgezet, maar hoe komt het rooster dan aan zijn rechte hoeken? In de Sulva-sutra (800 v. Chr.) wordt de constructie van een vierkant met alleen koord en stok beschreven. Door ook de 'diameters' uit de beschrijving erbij te betrekken, wordt tevens het vierkantrooster gevormd.

[15]
Wie een vierkant wil maken, moet een koord nemen ter grote van het vierkant [= een zijde]. Zet knopen aan de uiteinden en markeer het midden. Zet [daarmee] een oost-west-lijn uit met een stok [op de markering] in het midden. Leg beide knopen om de stok en trek een cirkel met behulp van de markering. Zet stokken op beide einden van de diameter [= de snijpunten van de cirkel met de oost-west-lijn]. Met ťťn knoop om de oostelijke stok wordt met behulp van de andere [knoop] een cirkel getrokken. Doe dit ook bij de westelijke stok. De tweede diameter [= een noord-zuid-lijn] verkrijg je met de snijpunten van beide [cirkels]. Zet stokken op beide einden van de diameter [= de snijpunten met de eerste cirkel]. Leg beide knopen om de oostelijke stok en trek een cirkel met behulp van de markering. Doe dit ook bij de zuidelijke, de westelijke en de noordelijke stok. De snijpunten van deze vier [cirkels] vormen het vierkant.

Uiteraard zijn er meer manieren om het kelderpatroon te verkrijgen. Bijvoorbeeld met behulp van het twaalf-knopen-koord, zoals dat uit oude culturen bekend is (figuur rechts). Stappen twee en drie worden uitgevoerd nadat eerst een diagonaal met de verhouding 1:2 is uitgezet (blauw). Om twee redenen wordt op deze website vastgehouden aan de contructie in een rooster:
(1) Bij de dolmens heeft het rooster een eigen oriŽntatie.
(2) De constructie via het rooster levert een doorlopende ontwikkeling met de vroegste bronnen van de geschreven wiskunde (zie de pagina Meetkunde in de oudheid).

Uit de plattegronden blijkt, dat er geen strikte norm of uniforme aanpak werd gehanteerd. De oriŽntaties van de dolmens en de roosters verschillen voortdurend. Evenmin ligt de oriŽntatie van een dolmen ten opzichte van het rooster vast. Vaak wordt het rooster afgeleid van azimut 167ļ en/of 193ļ (groene lijnen hieronder), soms geldt dat voor de oriŽntatie van het dolmen zelf, maar andere waarden zijn ook mogelijk (zoals bij G5). Zelfs de zijde onder een hoek van 117ļ blijkt geen wetmatigheid (Barkvieren 92). Bij vrijwel geen enkel dolmen is de opzet dezelfde en toch zijn er iedere keer voldoende aanknopingspunten om het onderlinge verband te herkennen. Daarvan getuigt de volgende vergelijking van de plattegronden.


Van links naar rechts: Serrahn 540, Frauenmark 632 en Barkvieren 92.


Van links naar rechts: Heveskesklooster D5, Bronneger D22 en Serrahn 541.

Een hemellichaam dat bij azimut 167ļ opkomt, gaat bij 193ļ onder (zie de pagina Uitlijning op alpha Crux). De bovenste drie dolmens hebben hun rooster op ťťn van beide richtingen. Frauenmark 632 en Serrahn 540 hebben bovendien ťťn van de zijwanden op de andere richting staan. Omdat het patroon verschillend is ingetekend, hebben de kelders toch niet dezelfde oriŽntatie. Wel komt de ingesloten rechthoekige driehoek steeds terug. Bij de onderste drie dolmens valt de driehoek deels buiten de kelder, omdat het patroon daar tot de buitengrens van de sluitsteen reikt. Deze dolmens wekken de indruk uit twee compartimenten te bestaan, waarbij het patroon het grootste omvat. Hunebed D22 en dolmen 541 kunnen van azimut 167ļ worden afgeleid, maar dan met gewijzigde proporties (resp. 2:3 en 1:3). Dat geldt niet voor dolmen G5. Terwijl bij D22 het rooster op 43ļ/133ļ is gezet, blijkt G5 zelf met de lengterichting op 43ļ te staan. Het rooster van G5 krijgt daardoor een oriŽntatie van 70ļ/160ļ. In het onderzoek van GonzŠlez-GarcŪa en Costa-Ferrer vinden we een piek bij klasse 70ļ-75ļ. Opvallender nog is de piek bij klasse 95ļ-100ļ [16]. De korte rechthoekzijde van de ingesloten driehoek heeft een oriŽntatielijn op 96ļ, die tussen twee afgevlakte zijstenen het dolmen verlaat. De vlakken aan beide stenen wijzen in dezelfde richting en kunnen markeringen zijn geweest. Echter is het dolmen weggeruimd en kan dit niet worden geverifieerd. Overigens komen bij meerdere hunebedden oriŽntaties op 70ļ en 96ļ voor in combinatie met markeringen, maar het zijn er te weinig om er conclusies aan te verbinden.

Hoewel er steeds raakvlakken in de opzet van de patronen worden gevonden, is er bepaald geen sprake van een duidelijke systematiek. Het vierkantrooster ondersteunt de constructie van de kelder en daarmee lijkt al het mogelijke gezegd. Misschien dat de schuine zijde van het patroon de plaatsing van de drempelstenen verklaart, maar de huidige gegevens zijn te summier om er uitspraken over doen. In zijn algemeenheid lijkt het patroon meer een bijproduct dan een doel op zich te zijn. Mogelijk werd het voor de constructie van de ingesloten rechthoekige driehoek aangewend. De basis van de driehoek valt immers altijd samen met de lengte-oriŽntatie van de kelder. Bovendien komen de lengte van de basis en die van de kelder steeds met elkaar overeen - ook waar de driehoek deels over de sluitsteen is gelegd. Voorlopig lijkt daarom de driehoek in samenspraak met een aantal oriŽntaties de belangrijkste elementen uit de constructie te zijn.