Hunebedden in verhouding

Over oriŽntatiepatronen bij hunebedden en vergrote dolmens

De website is gewijzigd. Dit is nog een oude pagina. Klik hier voor de nieuwe pagina.

Samenvatting

Vaak wordt er gesproken over 'de' oriŽntatie van hunebedden. Er wordt bijvoorbeeld verondersteld, dat ze op de opgaande zon zijn gericht. Op deze website blijkt, dat er geen sprake is van een bepaalde oriŽntatie, maar van een oriŽntatiepatroon. Drie patronen laten zich onderscheiden, die met verschillende subculturen van de TRB kunnen worden geassocieerd. In Drente (de westgroep) zijn onderlinge oriŽntaties tussen hunebedden gevonden en worden oriŽntaties via parallelle oriŽntatielijnen vorm gegeven. Veel voorkomende richtingen zijn azimut 117ļ, 140ļ, 167ļ en 193ļ. Mogelijk moeten de 117ļ en 140ļ met de maanstilstanden worden geassocieerd en de 167ļ en 193ļ met opkomst en ondergang van hemellichamen met een declinatie van -37ļ (zoals de ster alpha Crux). Er zijn aanwijzingen, dat deze lijnen in een rooster zijn uitgezet. Zo'n rooster heeft een eigen oriŽntatie. Het gemeenschappelijke rooster van D21 en D22 heeft een orientatie van 43ļ/133ļ en kan een afleiding van het wintersolstitium zijn. In ieder geval is er sprake van meerdere oriŽntaties per hunebed. Dit geldt ook voor een oriŽntatiepatroon, dat in Mecklenburg (de noordgroep) bij enkele vergrote dolmens wordt gevonden. Hier vinden we echter geen parallelle oriŽntatielijnen, maar lijkt het patroon geometrisch van opzet te zijn. Ook hier wordt het met behulp van een rooster uitgezet.

De vergelijking van het patroon bij vergrote dolmens met de vroegste wiskundige teksten, leert dat de 'intellectuele afstand' tussen beide niet zo groot is. Zoals in MesopotamiŽ (2000 v.Chr.) het patroon de basis kan vormen voor een schattende berekening van de hypotenuse, blijkt het in China (200 v.Chr.) nauw verwant te zijn aan oplossingschema's voor proportionele probleemstellingen met rechthoekige driehoeken. Bovendien kan een eenvoudige, logische uitbreiding ervan tot een verdere ontwikkeling van het wiskundige denken hebben geleid. Dit loopt door tot het theorema van Pythagoras. Uiteraard heeft de Neolithische mens geen wiskundige bedoelingen gehad met de bouw van hunebedden en dolmens. Wel kan worden verondersteld, dan de wetenschapstechnische status quo van die tijd in de constructie tot uiting komt.

Bij een directe uitlijning op een hemelverschijnsel hoort een exact overeenkomende azimut. Daarentegen kunnen uitlijningen, die via een patroon tot stand zijn gekomen, enige speling vertonen. Een aantal argumenten pleiten voor de laatste werkwijze. De azimutwaarden 117ļ, 133ļ en 140ļ vertonen een afwijking van enkele graden ten opzichte van de exacte posities van zon en maan. Uit de statistische analyse van de lengte-oriŽntaties van alle hunebedden blijkt onvoldoende correletatie met een directe uitlijning op de opkomst of ondergang van deze hemelobjecten (Reijs,1997). Enkele sterren komen wel in aanmerking (GonzŠlez-Garcia/Costa-Ferrer, 2003), maar de azimut van hun opkomst (167ļ) verschuift flink: bij een noord/zuid-verplaatsing van maar 15 km al 1ļ of 3ļ in de 100 jaar. De beperktheid van een directe uitlijning op deze sterren wordt dus in een mensenleven zichtbaar. Bij de constructie van een oriŽntatiepatroon moet wellicht meer waarde aan de symboliek worden gehecht dan aan de uitlijning zelf. Het patroon vormt dan de fossiele weergave van een initiŽle setting, die in een soort 'politiek centrum' werd gebruikt. Vervolgens is dat in verschillende periodes over diverse gebieden verspreid. Dit sluit aan bij de veronderstelling, dat lang niet alle Neolithische nederzettingen de know-how in huis zullen hebben gehad om zelfstandig een hunebed te bouwen. Men zal vaklui hebben ingehuurd om leiding te geven.

Wat bezielde de 'hunebedarchitecten' om deze monumenten te bouwen zoals ze hebben gedaan? Politiek, religie, techniek en wetenschap zullen in elkaar hebben overgevloeid, zoals dat eigenlijk in alle oude culturen het geval was. Het chinese boek van Shang Gao (eerste boek in de Zhou bi) staat mogelijk nog vrij dicht bij de traditie van het patroon, dat in sommige vergrote dolmens wordt gevonden. In dat boek wordt een kosmologie van getallen en geometrische vormen gepresenteerd. De rechthoekige driehoek vormt het proportionele beginsel, van waaruit hemel en aarde voortkomen. De aarde wordt als een vierkant voorgesteld en de hemel als een cirkel. De betreffende dolmens, maar ook hunebedden zouden dit beeld wel eens kunnen volgen. De rechthoekige kelder sluit een rechthoekige driehoek in en is in een heuvel ingebed. De analogie van de kelder als aarde en de heuvel als hemelgewelf komt aantrekkelijk over. Aan de andere kant moeten we bedenken dat meerdere wereldbeelden naast elkaar zullen hebben bestaan en zo ook meerdere functies voor de megalieten. Een heel ander gebruik wordt bijvoorbeeld beschreven in het joodse boek Genesis (31:45vv). Daar worden megalieten opgericht als contract tussen twee clans. Alle clanleden bevestigen dit contract door letterlijk een steentje bij te dragen aan de steenhoop eromheen. Er wordt een offermaal gehouden en de clan-god wordt aangeroepen voor toezicht op het contract.