Hunebedden in verhouding

Over oriëntatiepatronen bij hunebedden (in Europese contekst)

De gebruikte instrumenten

NB. Op de pagina Meetgegevens plattegronden zijn de metingen voorzien van een fasenummer. Dit nummer komt overeen met de hieronder aangegeven fasering.

Meetfase I: Meten met een gewoon kompas

Aan deze website ligt de initiële waarneming ten grondslag, dat een aantal hunebedden op elkaar georiënteerd staan. De eerste waarneming en later ook enkele waarnemingen in de Ardèche werden sec met een kompas uitgevoerd. Voor verdere bestudering hebben ze geen waarde, maar worden hier genoemd, omdat ze de koers van deze studie hebben bepaald. Uit deze waarnemingen sprak de suggestie, (1) dat de oriëntatie van hunebedden en dolmens geconstrueerd was en (2) dat dit onafhankelijk van de breedteligging scheen te zijn. Van meet af werden de de oriëntatielijnen in een hunebed daarom behandeld als een samenstelling van hoeken. Dit beperkte bovendien de afwijking tussen de verschillende oriëntatielijnen in een hunebed.

Meetfase II: Meten met een haarlijn-hoekmeter

Om uitspraken over oriëntatiepatronen te kunnen doen, was een nauwkeuriger meetinstrument nodig. Een handgemaakte ’haarlijn-hoekmeter’ met twee haarlijnen op 20 cm van elkaar en een vast kompas, bleek een goede oplossing. In de testopstelling gold een nauwkeurigheid van 0,5° bij heen en terug meten. Het instrument werd waterpas opgesteld, waarna het werd geijkt met de combinatie van azimut en initiële hoek. Vervolgens werd de onderlinge hoek van de verbindingslijnen naar markante punten in het hunebed bepaald. Deze werkwijze heeft tot de waarneming geleid, dat er in een hunebed vaak sprake is van markeringen. Het waterpas zetten en ijken vergde echter veel tijd.

Meetfase III: Meten met een peilkompas en een meetlint

Na verloop van tijd ontstond de wens om patronen in plattegronden te vergelijken. Met de haarlijn-hoekmeter verzandde dit een tijdrovende bezigheid. Het werd tijd voor een nieuw instrument: de Recta DP10. Dit is een peilkompas met een nauwkeurigheid van één-derde graad bij heen en terug meten. Het afleesmechanisme stelt zich automatisch waterpas in. Aflezen gebeurt door een prisma via een haarlijn, die op het object wordt gericht. De eerste plattegronden werden met behulp van het peilkompas en een meetlint vervaardigd.

Meetfase IV: Meten met een laser-afstandmeter en een digitale hoekmeter

Nieuwe technieken maken het mogelijk om steeds nauwkeuriger te werken. Op dit moment wordt een samenstelling van twee digitale meters gebruikt: een digitale hoekmeter (afwijking ±0,1°) en een laser-afstandmeter (afwijking ±0,5mm). De afstandmeter is voorzien van een interne inclinatiemeter en geeft automatisch de horizontale afstand weer. Met behulp van een programma op een pda worden de gegevens ingevoerd en direct tot een plattegrond verwerkt. Vergissingen vallen daardoor meteen op en kunnen ter plekke worden hersteld. Uit hermeting van meetpunten blijkt, dat de maximale misplaatsing onder normale omstandigheden minder dan één centimeter bedraagt en bij slechte terreincondities ruim één centimeter. Vooraf vraagt het programma om de geldende magnetische afwijking en vervolgens verrekent het de betreffende waarde steeds met de metingen. Hoogteverschillen worden met donkerder en lichtere lijnen weergegeven.

Werkwijze: Met een laser-waterpas (afwijking ±0,4 mm/m) worden alle meetpunten op de draagstenen bestickerd. Het peilkompas (afwijking ±0,3°) wordt gebruikt om het computerprogramma te initialiseren via een referentie-hoek en bijbehorende azimut. Vervolgens worden de meetpunten als een combinatie van afstand en hoek in het programma ingevoerd. Het resultaat is een horizontale dwarsdoorsnede van het monument op 10 tot 30 cm boven het veld.