Hunebedden in verhouding

Over oriëntatiepatronen bij hunebedden (in Europese contekst)

Eerder Nederlands onderzoek

Er is in Nederland maar weinig onderzoek gedaan naar de oriëntatie van hunebedden. Vijf onderzoeken springen eruit:

  • 1878, Lukis and Dryden, ongepubliceerd [2.1].
  • 1929, van Giffen, De hunbedden van Nederland [2.2].
  • 1997, Reijs, www.iol.ie/~geniet.
  • 2003, González-García en Costa-Ferrer, Possible astronomical orientation of the Duch hunebedden (SEAC 9)
  • 2004, Langbroek, Huilen naar de maan (PIT nr. 2)
  • Alle onderzoeken richten zich op de lengteas-oriëntatie en er zijn alleen trends onderzocht. Gonzalez-Garcia en Costa-Ferrer onderzoeken ook de oriëntatie van de poort. Onderzoek naar het verband tussen de structuur van hunebedden en hun oriëntatie zijn niet bekend. Wel heeft Langbroek de onderlinge oriëntatie van enkele hunebedden in zijn onderzoek betrokken.

    Het onderzoek van Lukis en Dryden

    Nadat de hunebedden internationale aandacht verwierven vanwege onkundige ’restauraties’, togen de Engelsen Lukis en Dryden naar Drenthe om plattegronden van de toenmalig bekende hunebedden te maken. Ook bepaalden zij de richting ervan, maar gebruikten geen systematisch handelswijze daarbij [2.3].

    Het onderzoek van van Giffen

    In zijn survey van 1925-1927 heeft van Giffen van alle hunebedden de oriëntatie gemeten. Dit is het eerste systematische onderzoek. Bij de nauwkeurigheid van de metingen moeten vraagtekens worden gezet. Van Giffen schrijft zelf, dat het moeilijk was om exacte metingen te verrichten. Hij ervoer het gemis van een geschikt instrument en constateert dat de lengteas nooit nauwkeuriger dan op een paar graden kan worden vastgesteld [2.4]. Met zijn tweede punt sluit hij aan bij de visie van Hoskin (zie pagina Verantwoording). Verder past van Giffen een declinatie van 13½° westelijk toe [2.5], wat 2½° aan de ruime kant was [2.6]. De gegevens leveren een algemeen beeld, maar zijn minder geschikt voor verdere bestudering.

    Het onderzoek van Reijs

    Reijs baseert zich op eigen metingen. Omdat de oriëntaties van de meeste hunebedden binnen de +/- 25° rond de equinox te vinden zijn, vermoedt hij in eerste instantie een oriëntatie op de volle maan rond lente-en/of herfstpunt (+/- 26°). Vervolgens past hij twee statistische methoden toe om de werkelijke spreiding van de oriëntaties met elkaar te vergelijken. In beide gevallen moet de hypothese worden verworpen.

    Het onderzoek van Gonzalez-Garcia en Costa-Ferrer (GG&CF)

    De onderzoekers gaan uit van eigen metingen. GG&CF vinden in hun onderzoek naar de oriëntaties van de poorten statistisch gezien een dubbelpiek van azimut-waarden om het zuiden. De pieken vertegenwoordigen de opkomst en ondergang van een hemellichaam met een declinatie van ongeveer -35°. Verder vermelden ze dat de lengteas-oriëntaties voor 83% tussen de zonnewendes en voor 88% tussen de extremen van de maan liggen.

    Het onderzoek van Langbroek

    Langbroek probeert tot een interpretatie van de gegevens uit de survey van van Giffen te komen (via van Ginkel). Ten eerste concludeert hij, dat een bepalende inlvoed van de Hondsrug onwaarschijnlijk is. Op aangeven van Rossenberg onderscheidt Langbroek twee typen oriëntaties: oriëntaties op de horizon en onderling afhankelijke oriëntaties. Voor het eerste type komt hij tot de conclusie dat de hunebedden op de opkomende maan georiënteerd staan. 88% van de oriëntaties bevinden zich tussen de noordelijke en zuidelijke kleine maanstilstand. Uit de data blijkt eenzelfde verdeling voor de solstitia te gelden, maar dat wordt niet vermeld. Omtrent de onderlinge oriëntatie van hunebedden doet Langbroek geen uitspraken. Ook niet op welke gronden hij de betreffende hunebedden selecteerde. Evenmin worden van de oriëntaties op de horizon buiten de grote maanstilstand verklaard.

    Wanneer het onderzoek van Langbroek wordt herzien met de oriëntaties bij GG&CF, verandert het beeld nauwelijks. Nog steeds voldoet 86% aan een oriëntatie op de maan. Overigens vervalt de zeggenskracht van de scheiding tussen al dan niet op elkaar georiënteerde hunebedden, omdat GG&CF 88% van de oriëntaties tussen de maanextremen vinden. Geen van de anomaliën bij Langbroek laat zich verklaren met de door GG&CF gevonden dubbelpiek om het zuiden.