Hunebedden in verhouding

Over oriëntatiepatronen bij hunebedden (in Europese contekst)

Parallelle oriëntatielijnen

De plattegronden op deze pagina zijn getekend op basis van:
- Bronneger D13 - eigen metingen
- Bronneger D21 - opgravingsplattegrond, van Giffen [8.1]
- Bronneger D22 - opgravingsplattegrond, van Giffen [8.2]

Anders dan bij vergrote dolmens lijkt bij hunebedden het uitzetten van oriëntatielijnen in parallelle lijnen te gebeuren. Daarvoor worden de uitsparingen tussen de draagstenen gebruikt en die ontbreken bij de dolmens. In die zin is het mogelijk om van verschillende oriëntatieculturen te spreken. Zoals ook op de pagina Oriëntatierooster wordt geconstateerd, schijnt bij D22 een mix van twee culturen aanwezig te zijn. Omdat het een paar met D21 vormt en dat hunebed juist duidelijk van parallelle oriëntatielijnen is voorzien, leek het lonend om beide in detail te bestuderen.

D21 en D22

Hunebed D21 heeft een oriëntatie van 43 langs de zijwanden. De draagstenen zijn strak in één lijn gezet, zodat er over de oriëntatie geen twijfel mogelijk is. Tussen de draagstenen lopen vier parallelle oriëntatielijnen op ongeveer 167. De enige lijn die niet vrij loopt, gaat door de hoek van Z1, maar deze steen is door van Giffen herplaatst. De inhoud van de onderste vloer wordt gedateerd op Brindley’s horizont 1 [8.3]. Daarmee is het hunebed ouder dan D22, waarvan de vroegste artefacten tot horizont 3 behoren [8.4].

D22 is ontoegankelijk, omdat het in de bodem verscholen ligt. Gelukkig heeft van Giffen een gedetailleerde opgravingsplattegrond nagelaten. Bovendien heeft hij een overzicht met D21 en D22 op één plattegrond vervaardigd. De oriëntatie van D22 kan daarom toch goed worden afgeleid. D22 blijkt het oriëntatierooster te hebben geleend van D21. Het rooster waarmee de ingeschreven rechthoekige driehoek (zie de pagina Oriëntatierooster) is vormgegeven, kan vanaf D21 tot in D22 worden doorgetrokken. Via diagonalen met de proportie 2:3 kunnen vervolgens de parallelle oriëntatielijnen op 167° in beide hunebedden worden uitgezet .


Boven D22 en onder D21 [8.5].

D13 en D22

Behalve de oriëntatielijnen op 167, lopen er in D22 ook lijnen op 193. Beiden spiegelen elkaar paarsgewijs om het zuiden. Deze eigenschap heeft het gemeenschappelijk met D13 te Eext. Hier doet zich het verschijnsel voor, dat beide hunebedden wel hetzelfde oriëntatiepatroon hanteren, maar qua keldervorm in het geheel niet op elkaar lijken. In de figuur hieronder geven de rode stippen punten weer, die beide kelders in de bouwvorm gemeenschappelijk hebben. De oriëntatielijnen zijn daar deels wel, maar ook niet op gebaseerd. Merk op, dat D13 geen uitsparingen tussen de draagstenen heeft, zoals dat bij de vergrote domens het geval is.


Midden D22 en rechts D13. In D22 is zijsteen Z2’ (gestippeld) vanwege een boom gecorrigeerd.

Hunebedden met satelieten

Op de pagina Hunebedden met satelieten blijken tussen het centrale hunebed en de sateliet-hunebedden ook parallelle oriëntatielijnen voor te komen. Het betreft hier de oriëntaties 140° / 143° en wellicht ook 117°.