Hunebedden in verhouding

Over oriëntatiepatronen bij hunebedden (in Europese contekst)

Samenvatting

Vaak wordt er gesproken over ’de’ oriëntatie van hunebedden. Er wordt bijvoorbeeld verondersteld, dat ze op de opgaande zon of maan zijn gericht. Op deze website blijkt, dat er geen sprake is van een bepaalde oriëntatie, maar van een oriëntatiepatroon. In zo’n oriëntatiepatroon zijn verschillende oriëntatielijnen aanwezig. Een belangrijk hulpmiddel kan het oriëntatierooster zijn geweest. Dat is een rooster waarmee de oriëntatielijnen worden uitgezet. Veel voorkomende oriëntatielijnen liggen op azimut 117°, 133°, 140° dan wel 143°, 167° en 193°. De 133°-azimut is wellicht op de opkomende zon tijdens het wintersolstitium of de ondergaande zon tijdens het zomersolstitium gericht. Mogelijk moeten de 117°- en 140°-/143°-azimut met de kleine en grote zuidelijke maanstilstanden worden geassocieerd, hoewel dit geen echte uitlijningen kunnen zijn. Of de 167°- en 193°-azimut met opkomst en ondergang van hemellichamen met een declinatie van -37° (zoals de ster alpha Crux) te maken hebben, valt te betwijfelen. Dit hangt er onder andere vanaf hoe strikt of vrijblijvend archeologische dateringen en geografische factoren worden toegepast.

Bij het uitzetten van oriëntatielijnen moet wellicht meer waarde aan de symboliek dan aan de uitlijning zelf worden gehecht. Omdat een oriëntatiepatroon op diverse breedtegraden wordt toegepast, vloeien er oriëntatielijnen uit voort, die vaak niet precies in de goede richting wijzen. Het oriëntatiepatroon zou wel eens de fossiele weergave van een initiële setting kunnen zijn, die in een soort ’politiek centrum’ werd gebruikt. Vervolgens is dat in verschillende periodes over diverse gebieden verspreid. Dit sluit aan bij de veronderstelling, dat lang niet alle Neolithische nederzettingen de know-how in huis zullen hebben gehad om zelfstandig een hunebed te bouwen. Men zal vaklui hebben ingehuurd om leiding te geven.

De vergelijking van het oriëntatiepatroon met de vroegste wiskundige teksten, leert dat de ’intellectuele afstand’ tussen beide niet zo groot is. In Mesopotamië (2000 v.Chr.) vormt het patroon de basis voor een schattende berekening van de hypotenuse en in China (200 v.Chr.) is het nauw verwant aan oplossingschema’s voor proportionele probleemstellingen met rechthoekige driehoeken. Bovendien kan een eenvoudige, logische uitbreiding ervan tot een verdere ontwikkeling van het wiskundige denken hebben geleid. Dit loopt door tot het theorema van Pythagoras. Uiteraard heeft de Neolithische mens geen wiskundige bedoelingen gehad met de bouw van hunebedden en dolmens. Wel kan worden verondersteld, dan de wetenschapstechnische status quo van die tijd in de constructie tot uiting komt.

Wat bezielde de ’hunebedarchitecten’ om deze monumenten te bouwen zoals ze hebben gedaan? Politiek, religie, techniek en wetenschap zullen in elkaar hebben overgevloeid, zoals dat eigenlijk in alle oude culturen het geval was. Het chinese boek van Shang Gao (eerste boek in de Zhou bi) staat mogelijk nog vrij dicht bij de traditie van het oriëntatiepatroon. In dat boek wordt een kosmologie van getallen en geometrische vormen gepresenteerd. De rechthoekige driehoek vormt het proportionele beginsel, van waaruit hemel en aarde voortkomen. De aarde wordt als een vierkant voorgesteld en de hemel als een cirkel. De betreffende dolmens, maar ook hunebedden zouden dit beeld wel eens kunnen volgen. De rechthoekige kelder omsluit een rechthoekige driehoek en is in een heuvel ingebed. De analogie van de kelder als aarde en de heuvel als hemelgewelf komt aantrekkelijk over (maar is speculatief). Aan de andere kant blijken er verschillende vormen voor de plattegronden gangbaar, zodat er mogelijk meerdere wereldbeelden naast elkaar hebben bestaan.