Hunebedden in verhouding

Over oriëntatiepatronen bij hunebedden (in Europese contekst)

Hunebedden met satelieten

De plattegronden op deze pagina zijn getekend op basis van:
- Bronneger D23 - veldplattegrond, van Giffen [7.1]
- Bronneger D24 - veldplattegrond, van Giffen [7.2]
- Bronneger D25 - eigen metingen [7.3]
- Emmen D38 - eigen metingen
- Emmen D39 - eigen metingen
- Emmen D40 - opgravingsplattegrond, van Giffen [7.4] en eigen metingen
- Benstrup 965 *) - veldplattegrond, Sprockhoff [7.5]
- Benstrup 966 *) - veldplattegrond, Sprockhoff [7.6]
- Benstrup 967 *) - veldplattegrond, Sprockhoff [7.7]
*) Nummering volgens het systeem van Sprockhoff.

Een groot deel van de Nederlandse hunebedden staat in twee- of drietallen bij elkaar. Behalve dat, verschillen deze hunebedden niet van de afzonderlijk geplaatste - noch in hun lengte, noch in het aantal stenen, noch in de oriëntatie of het al dan niet hebben van een poort. Wel neigen de duo’s naar wat meer lengte dan de trio’s. Bij de tweetallen hebben 11 van de 16 hunebedden 6 paar zijstenen of meer, terwijl de trio’s 2 tot 5 paar zijstenen bezitten. Verder valt er weinig over te zeggen. Vanwege het grotere aantal stenen is het lastig om bij duo’s oriëntatiepatronen op te sporen en is de kans op een toevallig patroon vrij groot. Zij vallen daarom buiten de focus van deze website. In de tabellen hieronder zijn de oriëntaties van de twee- en drietallen en het verschil naast elkaar gezet. Bij de tweetallen wordt nog vermeld hoe ze ten opzichte van elkaar liggen. De afkorting GG&CF staat voor González-García en Costa-Ferrer (zie de pagina Eerder Ned. onderzoek).


Drietallen op één veld

In Drenthe bevinden zich twee drietallen: in het Valtherbos nabij Emmen (D38, D39 en D40) en één te Bronneger (D23, D24 en D25). Hun onderlinge oriëntaties vertonen wel systematiek, maar om daarover een uitspraak te kunnen doen, zijn minimaal drie groepjes nodig [7.8]. Gelukkig staan in het Duitse gebied van de TRB-Westgroep nog drie hunebedden op steenworp afstand: te Benstrup nabij Cloppenburg (Sprockhoff 965, 966 en 967). Het gaat hier om twee kleinere hunebedden en één langgraf. Het langgraf omsluit twee kleine hunbedjes.

Om een systematische vergelijking van de drietallen mogelijk te maken, is bij ieder hunebed de kelderhoek van de Zí-rij met S2 (nummering volgens van Giffen) als meetpunt aangewezen. Bij het langgraf zijn beide kleine hunebedjes apart in de metingen betrokken. Het meest oostelijke blijkt deel uit te maken van de systematiek. In ieder groepje kan één centraal hunebed worden aangewezen met de andere twee als satelieten. Deze satellieten liggen steeds in dezelfde richting ten opzichte van het centrale hunebed, met hun azimut op 115°-120° en 138°-143°.

De hunebedden te Bronneger en Emmen zijn onderzocht op een ondersteunende structuur voor de oriëntaties. Die te Benstrup blijken daarvoor te zeer vervallen. Te Bronneger bemoeilijkt struikgewas een directe bepaling van de oriëntatielijnen tussen de hunebedden. Met behulp van Google Maps wordt deze lacune hier aangevuld. De opname van het terrein is voldoende gedetailleerd om de positie van Z1 en Z2 in het centrale hunebed D25 te bepalen. Deze stenen spelen een cruciale rol in de oriëntatie van D25 ten opzichte van D23. Helaas verkeert alleen het centrale hunebed nog in goede staat en missen meerdere draagstenen uit de satelieten. Van het drietal te Emmen bevinden de draagstenen van D39 en D40 (centraal hunebed) zich nog alle in situ. Bovendien zijn het twee kleine hunebedjes - de optimale omstandigheid voor een vergelijking van hun onderlinge en hun interne structuur. In D38 werd Z3 weer rechtop gezet. Dit hunebed met de vijf paar zijstenen maakt een rommelige indruk en leent zich nauwelijks voor zo’n vergelijking.

Op de satelietbeelden staan een 140° en een 143° oriëntatie ingetekend. Zowel te Emmen als te Bronneger worden er aanwijzingen voor een soort dubbeloriëntatie gevonden. De duiding van de oriëntatie lijkt dualistisch van aard te zijn. Mogelijk lopen er twee systemen door elkaar en/of werd een eerder systeem in een later stadium gewijzigd. {Revisie}

D38, D39 en D40

Oriëntatielijnen op 140°.

Uit de interne structuur van D39 en D40 wordt duidelijk, dat de 140° oriëntatie werd bereikt vanuit de 143° oriëntatie. Bij beide hunebedden laat de opzet zich op gelijke wijze construeren. Deze begint vanuit een noord-zuid-lijn (stap I in de illustratie hieronder): in D39 is dit een diagonaal en in D40 is het de kelderzijde van draagsteen Z2. Met deze lijn wordt een hulprooster op 27° uitgezet. De lijn vormt in het rooster een diagonaal met de proportie 1:2. In D39 valt het rooster gelijk aan de kelderwand en in D40 wordt het ondersteund door de vlakken aan de buitenkant van Z1. Zoals het 27°-rooster werd opgezet met behulp van de noord-zuid-lijn, wordt vervolgens op gelijke wijze het 27° rooster gebruik om een oriëntatierooster op 53° (= 143°) te verkrijgen (stap II). Het rooster valt samen met een diagonaal van D40. Zowel bij D39 als bij D40 wordt in dit rooster het patroon gevonden, dat regelmatig bij een oriëntatierooster voorkomt (zie de pagina Oriëntatierooster).

In D39 vinden we vervolgens een sterke aanwijzig, dat het rooster 3° moet worden teruggezet (stap III). Zijsteen Z2 heeft aan de kelderkant twee deel-vlakken: de één op 23° en de ander op 26°. De scheiding valt halverwege het hunebed. Extrapolatie van beide vlakken komt uit op het zuidelijke uiteinde van Z1. Door vanuit dit punt het rooster 3° te roteren (stap III), valt het rooster net als bij D40 samen met een diagonaal. In D40 is de oriëntatie van de diagonaal echter afhankelijk van de hoogte in het hunebed. Op het niveau van de keldervloer (de opgravingsplattegrond van van Giffen) bedraagt de oriëntatie 143°, maar ter hoogte van de primaire heuvel (min of meer de huidige hoogte) is dat 140°. Dit is het gevolg van de schuine aansluiting van Z2’ op S2 (zie de foto hiernaast [7.9] - de blauwe pijl stelt de oriëntatielijn op 140° voor en de oranje die op 143°). Ook hier dan een rotatie van 3°, waarvan de uitkomst in D38 wordt ondersteund door de poort en de exacte uitlijning op een markering aan Z4. De markering is te zien op een foto van de verzegeling van het hunebed in 1987 [7.10]. Van Giffen beoordeelde poortsteen Z4’ als omgevallen, wat vreemd overkomt, omdat de steen netjes vlak ’ligt’. De heuvel is hier nog op redelijke hoogte aanwezig, zodat er sprake zou moeten zijn van achterover hellen. Het lijkt er meer op, dat Z4 is omgelegd en wel langs de 140° oriëntatielijn door de poort.

Fasering

Vanwege het verschil in niveau tussen de 140° en de 143° oriëntatie in D40 is het mogelijk om een fasering in het gebeuren aan te brengen. Het niet gedraaide rooster op 143° moet bij de bouw zijn uitgezet. Het gebruik van het rooster op 140° valt na de aanleg van de primaire heuvel. De aansluiting van Z2 op S2 in D40 doet vermoeden, dat de stenen met voorbedachte rade zijn geplaatst om rotatie mogelijk te maken. In dat geval is het nooit de bedoeling geweest om de oriëntatie op 143° te gebruiken en was de oriëntatie op 140° het eigenlijke doel. Dan moet de primaire heuvel al vlot na de bouw zijn opgeworpen.
Zo niet, dan moet er tussen de bouw van het hunebed en het opwerpen van de heuvel een gebruiksperiode voor de 143° oriëntatie worden ingelast. Misschien heeft het instellen van de 140° oriëntatie zelfs na het opwerpen van de secundaire heuvel plaatsgevonden. Er is namelijk sprake van een wigvormige ophoging (oranje in profiel F en H van de figuur hieronder), die vanaf S2 naar het noordwesten loopt. Daartussen bevindt zich een sleuf met gruis, die dwars door de eerste en tweede periode is ingeslepen. Beide worden afgedekt met het tertiaire deel van de heuvel. Bij de kelder is de sleuf smal en diep, aan de voet van de heuvel juist breed en vlak. Dit zou erop kunnen wijzen, dat er stenen uit de kelder zijn gesleept en in de wig opnieuw bewerkt [7.11], wat qua activiteit past bij een heroriëntatie. De pasvorm van Z2 en S2 kan dan na de bouw zijn aangebracht.

Tegelijk met het aanleggen van de heuvel van D40 moet de markering op Z4 in D38 zijn aangebracht (en is Z4’ omgelegd). In het eerste scenario werd D38 zeker eerder dan D40 gebouwd - in het tweede is dit mogelijk maar niet noodzakelijk. Voor D39 en D40 lijkt een min of meer gelijktijdige bouw het meest aannemelijk. Vanwege de identieke stappenplannen, lijken beide hunebedden het werk van één bouwmeester zijn.

Oriëntatielijnen op 117°.

Waar de onderlinge oriëntatie tussen D38 en D40 met behulp van een diagonaal en een markering is vastgelegd, blijkt die tussen D39 en D40 minder duidelijk. In D39 hebben de kelderzijden van beide sluitstenen een oriëntatie van krap 119°, maar de bijbehorende oriëntatielijnen vinden geen aanknopingspunten in D40. De lijn vanaf S1 komt zelfs enkele meters zuidelijk van D40 te lopen. De kelderzijden zijn ook niet zodanig bewerkt, dat er van een markering sprake is. Omgekeerd, vanuit D40 gerederneerd, worden op 117° drie parallelle lijnen naar D39 gevonden, waarvan twee ondersteuning vinden in de vorm van een markering (de vlakke buitenkant van Z1 en de prisma aan Z2’) terwijl de andere door de hoek S1/Z2’ loopt, waar ook de diagonaal op 140° doorkomt. De buitenste parallellen lopen echter langs de sluitstenen in D39, die op 119° staan. De middelste vindt aansluiting bij de markering aan Z2 van D39, maar deze is vanwege het schuine verloop niet exact vastgelegd.

D23, D24 en D25

Oriëntatielijnen op 143°.

De eerste aanwijzing voor een ondersteunende structuur werd gevonden bij de draagstenen Z1 en Z2 van het centrale hunebed D25. Zij staan met een vlakke zijkant uitgelijnd op een oriëntatie van 140° (blauwe zijdes in de afbeelding hierboven). Wonderlijk genoeg wijkt dit 3° af van de oriëntatie ten opzichte van D23 op 143°. In D23 loopt één van de oriëntatielijnen op143° langs Z1’ tussen S1 en Z1 door. Een onderlinge oriëntatie van 140° is hier niet mogelijk, omdat dan de oriëntatielijnen vanuit D25 oostelijk van D23 zouden komen te lopen. Ook de ’tunneltjes’ in D25 (van Z2/Z3 naar Z3’/Z4’ en van Z3/Z4 naar Z4’/S2) geven geen uitsluitsel. Zoals D25 er nu bij staat, zou alleen een oriëntatie op 140° mogelijk zijn, maar beide middelste trilithons lijken te zijn verzakt. In de geïdealiseerde plattegrond als hierboven behoort de 143°-oriëntatie toch ook tot de mogelijkheden.

Via diagonalen met een proportie 1:3 kunnen er oriëntatielijnen op 143° in een oriëntatierooster worden uitgezet (blauw stippelijnen in de afbeelding hieronder - zie ook de pagina Oriëntatierooster). Deze lijkt daarom tot de aanvankelijke structuur van het hunebed te behoren. Of de vlakke zijden van Z1 en Z2 op 140° (groen) tot een secundaire structuur moeten worden gerekend, kan zonder opgraving niet worden bevestigd dan wel verworpen. Deze stenen behoren tot de westelijke helft en het rooster tot de oostelijke helft van het hunebed. De oostelijke helft is 30 cm smaller dan de westelijke en het lijkt alsof de westelijke helft een soort aanbouw is aan de oostelijke helft.

Oriëntatielijnen op 117°.

Net als tussen D25 en D23 kan ook tussen D25 en D24 maar één oriëntatielijn worden gevolgd. In D25 loopt deze van een hoek aan Z3, door S1/Z1 naar S2/Z4 in D24 en daar vervolgens langs Z4’. Het is niet duidelijk of de betreffende hoek als markering mag worden opgevat. Vanwege de kleine ruimtes tussen de uitsparingen en de afstand tussen D25 en D24 kan de oriëntatie op 117° worden vastgesteld. Aanwijzingen voor twee parallelle oriëntatielijnen zijn te zwak om ter ondersteuning aan te voeren.

Conclusie

Bij beide Drentse hunebedden met satelieten blijkt de onderlinge oriëntatie ten opzichte van de satelieten samen te hangen met een intern oriëntatierooster. Vanuit de satelieten gezien staat het centrale hunebed op 117° dan wel op 140° of 143°. Vanwege de situatie in D40, kan worden gesteld, dat de 140° oriëntatie werd afgeleid van de 143° oriëntatie. In D40 werd de heroriëntatie intern uitgevoerd en bij D25 door middel van een aanbouw. Hoeveel tijd er is verstreken voor men tot de heroriëntatie overging, blijft onduidelijk.