Hunebedden in verhouding

Over oriëntatiepatronen bij hunebedden (in Europese contekst)

Staat van de hunebedden [3.1]

Geen van de hunebedden bevindt zich meer in de oorspronkelijke toestand. De staat loopt van geheel opgeruimd tot ‘alleen maar’ van de heuvel ontdaan. Veel zijn er gerestaureerd, wat zowel een nadeel als een voordeel kan zijn. Stenen kunnen bijvoorbeeld ten onrechte zijn herplaatst, omdat ze op die manier beter in de beeldvorming van de restaurateur pasten. Verplaatsingen van stenen in het Neolithicum kunnen daarmee ongedaan zijn gemaakt. Daarentegen mag bij terechte restauratie worden verwacht, dat de stenen weer min of meer in de juiste stand zijn gezet, terwijl ze zonder restauratie geheel onbruikbaar waren geweest. Bij het herplaatsen of oprichten van een steen moet rekening worden gehouden met een vrij grote oriëntatiefout. Oriëntatiemetingen aan de vlakke zijden van zo’n steen zijn onbetrouwbaar. Wel kunnen de stenen nog bruikbaar zijn bij metingen over langere afstand ten opzichte van bijvoorbeeld andere stenen.

Van de meeste restauraties uit de vorige eeuw zijn rapporten gemaakt. Voorzover van toepassing volgt hier een uitreksel per monument. Opmerkingen, die van invloed zijn op oriëntatielijnen, worden verderop in de tekst behandeld. De gehanteerde aanduiding van stenen werd door van Giffen ingevoerd.

Anloo, D8

In de 19e eeuw is dit hunebed ‘gerestaureerd’, zonder daarvan verslag te doen. Daarbij werd wellicht Z3’ vervangen door P1’. Z1’ en Z3 zijn verzakt. Z4’ is in 1952 gerestaureerd.

Eext, D13

Dit hunebedje trok al vroeg de aandacht en de inhoud is meerdere malen onderzocht. In 1984 heeft Lanting de heuvel onderzocht. De draagstenen van dit hunebed bevinden zich allemaal in de oorspronkelijke toestand en staan nog deels in de heuvel verscholen. In 1976 is deksteen D1 herplaatst.

Bronneger, D21 en D22

Bij de opgraving van D21 en D22 in 1918 werd Z1 van D21 als onderdeel van de keldervloer aangetroffen en weer opgericht. Verder bevonden alle draagstenen zich destijds in situ. Z1’ in D21 is door een eik ontzet. Mogelijk zijn ook S1 en Z4 vanwege boomgroei een beetje verschoven. In D22 is het Z2’, die door een eik is verplaatst. Op S1 en Z1 na, worden alle draagstenen van D22 door de heuvel bedekt. In 1960 is er gerestaureerd, maar vermoedelijk zijn er niet zoveel aanpassingen nodig geweest.

Bronneger, D23, D24 en D25

Op van Giffen’s foto’s uit 1918 komt de slechte staat van D23 en D24 sterk tot uitdrukking. In 1960 zijn beide hunebedden gerestaureerd tot de huidige opstelling. Alle aanwezige draagstenen werden herplaatst dan wel opnieuw gericht. Voor D25 lijkt dit niet op te gaan. De foto uit 1918 komt aardig overeen met de situatie van dit moment. Alleen de dekstenen D3 en D4 waren indertijd naar Z3 en Z4 afgegleden. In hoeverre dit invloed heeft gehad op deze draagstenen kan niet uit de foto worden opgemaakt. Het huidige beeld wekt de indruk dat vooral de middelste draagstenen (Z2, Z2’, Z3 en Z3’) naar de ingangzijde zijn verzakt, wat het gevolg kan zijn van de in die richting aflopende bodem. (Beide uiterste trilithons met Z1/Z1’ en Z4/Z4’ worden extra ondersteund door de sluitstenen.)

Emmen, D38, D39 en D40

Hunebed D40 werd in 1921 geheel door van Giffen ontgraven, waarbij de draagstenen van de kelder op hun plaats bleven. Poortsteen P1 kwam uit de kelder tevoorschijn en P2 werd begin 60’er jaren geplombeerd, net als Z1’ van D38. Van D39 werd in 1925 alleen de heuvel gedeeltelijk onderzocht. Lanting heeft in de jaren 80 naonderzoek aan de heuvels van D39 en D40 verricht. Hunebed D38 werd nooit onderzocht. Begin 1960 vermeldt van Giffen grootse restauratieplannen voor het drietal. Er is sprake van het opnieuw richten van draagstenen, maar de meeste aandacht gaat uit naar het formeren van een cultuur-reservaat. In zijn verslag ontbreekt de informatie per draagsteen, zoals hij die in eerdere verslagen met betrekking tot andere hunebedden wel aangeeft. Een vergelijking van de huidige situatie van D38 met die op Giffen’s foto uit 1918 leert, dat er nagenoeg niets is veranderd. In die tijd reikten de heuvels van D39 en D40 tot aan de dekstenen.

Buitenlandse megalieten

In het kader van een vrijetijd-besteding is het ondoenlijk om van alle betrokken monumenten de restauratiegeschiedenis te achterhalen. Toevallig gevonden informatie is van nut, maar zeker ontoereikend. Bijvoorbeeld staat er op het informatiebord bij het dolmen te Langholz (Sprockhoff 68), dat het dolmen in 1977 werd gerestaureerd. Tot nu toe zijn daarvan geen details achterhaald. Recente afslag bovenaan de voorste linker draagsteen doet vermoeden, dat deze steen opnieuw werd gericht. Zo wordt uit het algemene beeld van een monument toch een indruk verkregen van de recente gebeurtenissen. De verwaarloosde indruk van de hunebedden te Benstrup maakt het aannemelijk, dat hier nooit is gerestaureerd.

Waar er wordt gewerkt met veldplattegronden moeten we van de consciëntieuze bedoeling van de tekenaar uitgaan. In hoeverre deze zich bewust was van de recente geschiedenis van een monument, wordt vrijwel nergens vermeld. Dit geldt bijvoorbeeld voor de plattegronden op de pagina Oriënatieroosters betreffende het rooster op 162° en 198°. Van opgravingsplattegronden mag daarentegen worden verwacht, dat ze de oorspronkelijke situatie nauwkeurig weergeven. Deze verdienen dan ook de voorkeur.

{Revisie}