Hunebedden in verhouding

Over oriëntatiepatronen bij hunebedden (in Europese contekst)

Meting door de uitsparingen tussen de draagstenen

NB. Vanwege de grote hoeveelheid werk, zijn voorlopig alleen de volgende hunebedden gemeten: D19, D20, D23, D24, D25, D26, D28, D29, D30 en D32.

De meetmethode

Bij een aantal hunebedden blijken de uitsparingen tussen de draagstenen aan weerszijden een soort ’tunneltjes’ te vormen ter ondersteuning van een oriëntatie. In hoeverre er steeds een oriëntatierooster aan te grondslag ligt, is onbekend. De tunneltjes zouden dan voornamelijk oriëntaties moeten hebben, die overeenkomen met de oriëntatielijnen van een rooster (zie de pagina Oriëntatierooster). Vier soorten tunneltjes worden op deze pagina onderscheiden: diagonaal door het hunebed, rechtover tussen beide zijden, linksom naar de overzijde en rechtsom naar de overzijde.

Van ieder tunneltje werd de oriëntatie aan de hand van drie metingen bepaald: door het midden en links en rechts langs de draagstenen. Het gemiddelde van deze drie bepaalt de oriëntatie van een tunneltje. De metingen werden verricht met een peilkompas (afwijking ±0,3°). Alleen waar de tunneltjes oriëntatielijnen mogelijk maken, die aan beide zijden vrij tussen de draagstenen doorlopen, zijn deze in de metingen opgenomen. Er is bij de metingen geen rekening gehouden met schuinzakken en restauraties. Hierdoor is het mogelijk, dat passende waarden afwijkingen vertonen en dat afwijkende waarden onterecht bij een patroon zijn gaan passen.

De resultaten

In de diagrammen hieronder zijn stippellijnen getekend voor de waarden, die uit de verschillende oriëntatieroosters voortvloeien. (Zie hiervoor de pagina Oriëntatierooster.) Dat zijn: 0°, 9°, 13°, 18°, 117°, 140°, 143°, 162°, 167° en 171° (groen) en haaks daarop: 90°, 103°, 108°, 27°, 50°, 53°, 72°, 77° en 81° (blauw).

Vier opvallende clusters in de diagrammen voor de metingen linksom en rechtsom (rood gestippeld) vallen niet met de oriëntaties van enig rooster samen. Het betreft hier azimut 33° / 122° en 39° / 129°. Azimut 33° en 39° worden rechtsom gemeten en 122° en 129° linksom. Omdat de paren onderling 90° verschillen, ligt het voor de hand om een nog onbekende constructie in een rooster te veronderstellen.

Dat de diagonale metingen en de metingen rechtover in elkaar uitsluitende domeinen liggen, hoeft niet te bevreemden. Immers liggen de diagonalen min of meer in de lengterichting en de metingen rechtover in de breedterichting van een hunebed. Alleen de twee metingen rechtover met waarden nabij 80° vallen uit de toon. Dat zulke elkaar vrijwel uitsluitende domeinen ook voor de metingen linksom en rechtsom gelden, mag daarentegen wel opvallend worden genoemd.

De metingen rechtsom blijken voornamelijk waarden boven de 90° op te leveren en de metingen linksom onder de 90°. De anomalieën voor rechtsom betreffen D23 met de lengteas op ±77° en D30 op ±167°. Voor linksom betreffen ze: D19 op ±117°, D24 op ±68°, D30 op ±167° en D32 op ±69° [15.1]. Gezien de spreiding in de oriëntatie van de lengteassen, kunnen de anomalieën daar niet mee worden verklaard. Wel kan een specifieke wijze van oriënteren een rol hebben gespeeld: 77° en 167° staan haaks op elkaar en 68° en 69° hebben dezelfde richting.

Om uit te zoeken welke verwachte oriëntaties toch niet als toppen voorkomen en of er andersom juist onverwachte toppen worden gevonden, zijn alle metingen hieronder in één diagram samengevoegd. Oranje cirkels geven de extra toppen weer en de rode kruisje blijken niet voor te komen. Overigens moet hier enige reserve in acht worden genomen. De verstoring van hunebedden kan ten onrechte hebben geleid tot afwijkende waarden en ontbrekende toppen kunnen te wijten zijn aan het geringe aantal gemeten hunebedden.

Behalve de eerder genoemde clusters, ontbreken de volgende waarden: 53°, 72°, 90° 140° en 167°. Voor de waarden 77° en 81° is de situatie onduidelijk. Extra toppen komen voor bij 5°, 55°-60°, 87°, 111°, 145°-158°, 176° en eventueel bij 165°. Hiervan staan 87° en 176° haaks op elkaar, wat deels ook het geval kan zijn voor de intervallen 55°-60° en 145°-158°. Verder valt de zeer brede top bij 27° op. Het zou kunnen, dat hier van een samenspel van meerdere toppen sprake is.

Conclusie

Het meest opvallende verschijnsel is de scheiding bij 90° van de metingen linksom en rechtsom door de tunneltjes. Vanwege de spreiding in de orëntatie van de lengteassen van de betrokken hunebedden kan deze scheiding niet het logische gevolg zijn van de meetmethode. Net zo opvallend ontbreekt de waarde 90° zelf als oriëntatie van de tunneltjes. Vanwege het geringe aantal gemeten hunebedden, is het echter voorbarig om hier conclusies aan te verbinden.

Uit het gegeven, dat er reeds bij een gering aantal gemeten hunebedden nogal wat extra toppen worden gevonden, kan worden geconcludeerd, dat:
- de oriëntatie van tunneltjes niet altijd met behulp van een oriëntatierooster kan worden verklaard en/of
- de presentatie van oriëntatieroosters op de pagina Oriëntatierooster nog incompleet is.