Hunebedden in verhouding

Over oriëntatiepatronen bij hunebedden (in Europese contekst)

Uitlijning op hemellichamen [12.1]

Klik hier voor astronomonische tabellen m.b.t. het neolithicum.

De plattegronden op deze pagina zijn getekend op basis van:
- Heveskesklooster G5 - opgravingsplattegrond, Lanting [12.2]

Op deze pagina komt de vraag aan bod of oriëntatiepatronen in verband kunnen worden gebracht met astronomische verschijnselen. Vanwege een aantal onzekere factoren laat deze vraag zich niet zo gemakkelijk beantwoorden. Vooral de associatie met sterren is problematisch, omdat hun opkomst gedurende de eeuwen gestaag langs de horizon verschuift. Archeologen kunnen de vondsten uit hunebedden en dolmens op z’n best met een tolerantie van 50 jaar dateren [12.3] en veel sterren blijken in zo’n tijdsbestek al 1° in opkomst te verschuiven. Om een uitlijning aannemelijk te maken, is daarom aanvullende systematiek nodig, die het liefst meerdere decennia en breedtegraden omvat. Verder zijn de terreincondities van 5000 jaar geleden vaak onzeker, terwijl een ½° toename of afname in de glooiing al een wijziging van 3° in de opkomst kan veroorzaken. Dit geldt niet alleen voor de sterren, maar ook voor de opkomst van de zon en de maan. Planeten en kometen moeten vanwege hun te grote beweeglijkheid sowieso buiten beschouwing worden gelaten.

Vanuit de astronomie doet zich het probleem van de ’obliquity’ gelden - de helling van de aardas. Deze verandert geleidelijk, waardoor ook de declinaties van de hemelobjecten door de millennia heen wijzigen. Diverse auteurs geven voor het jaar 3000 v.Chr. verschillende waarden: bij Burl 24°02’, bij Langbroek 23°49’ en bij González-Garía & Costa-Ferrer 24°50’. Een verschil van 1° in declinatie geeft rond de 53° breedtegraad een niet te verwaarlozen afwijking van 2° in opkomst. Op deze pagina wordt met de gegevens van de University of Soutern California gewerkt [12.4], wat voor 3000 v.Chr. op een obliquity van 24°03’ neerkomt.

De gegevens op met name de pagina’s Oriëntatierooster en Hunebedden met satelieten maken het de moeite waard om te onderzoeken of men een uitlijning op de opkomst van zon en maan bij de zonnewendes en maanstilstanden nastreefde. Rond de 53ste breedtegraad variëren deze van azimut 35° tot 58° en van azimut 122° tot 145°. Verder valt de spiegeling om het zuiden bij de initiële roosters dan wel echte oriëntatieroosters op. Deze kunnen vanwege hun zuidelijke azimut niet met de zon of maan in verband worden gebracht. Wel doen ze denken aan de dubbelpiek in de oriëntaties van de poorten van hunebedden uit het onderzoek van González-García en Costa-Ferrer [12.5]. De piek spiegelt zich om het zuiden voor hemellichamen met een declinatie van gemiddeld -35° met een uitschieter bij -36°. De auteurs wijzen een zestal sterren aan als kandidaat voor een uitlijning: de vier helderste sterren van Crux en α- en β-Centaurus. Hoewel meerdere auteurs een verband met deze sterren mogelijk achten, blijft een uitlijning problematisch vanwege de lage doorkomst in het zuiden [12.6]. In Drenthe komen hemellichamen met een declinatie van -36° niet hoger dan 2° boven de horizon en zijn eigenlijk niet zichtbaar door uitdoving van de atmosfeer. Desondanks wordt op deze pagina met betrekking tot de oriëntatieroosters een uitlijning op α-Crux als werkhypothese gehanteerd. Theoretisch gezien kan de gebrekkige zichtbaarheid juist de reden voor het gebruik van een oriëntatierooster zijn. De best overeenkomende roosters leveren azimutwaarden van 162° tot 171° (zie de pagina Oriëntatierooster) en daar horen declinaties van -36° tot -37½° bij. Behalve α-Crux, kwamen de overige kandiaat-sterren tot 3000 v.Chr. noordelijker dan 160° op en vallen af. Gedurende de bouw van de hunebedden (van 3350 tot 3050 v.Chr.) kwam α-Crux daarentegen bij 164° tot 171° op. Eventueel zou de opkomst van β-Centaurus rond 3400 v.Chr. nog bij het rooster op 153° passen, maar dan verbaast het, dat er niet op de nabijgelegen helderder ster α-Centaurus werd uitgelijnd. Deze mogelijkheid wordt verder niet in overweging genomen.

Beoordeling van sites

  • Hunebedden D21 en D22
  • De opzet van dit hunebeddenpaar is behandeld op de pagina Parallelle oriëntatielijnen. De genoemde oriëntatielijnen van D22 zijn niet direct in het veld, maar indirect via de opgravingsplattegrond van van Giffen bepaald (zie de pagina Meetgegevens plattegronden).

    Aan D21 en D22 kan een gemeenschappelijk rooster op 43°/133° worden toegewezen. In Bronneger liggen de winter- en zomersolstitia op resp. 131° en 313° (= 180° + 133°). Bij D21 zijn de 133° oriëntatielijnen tussen de trilithons niet beter dan met een marge van enkele graden te bepalen, zodat er geen keuze kan worden gemaakt tussen een uitlijning op het winter- dan wel zomersolstitium. De poort wijkt qua oriëntatie enigszins van het rooster af, maar zij ontbrak bij van Giffen’s opgraving en is later gerestaureerd. Omdat er vanwege de positie van de draagsteen tegenover de poort geen doorgaande oriëntatielijn mogelijk is, ligt een oriëntatie op het wintersolstitium het meest voor de hand. Bij D22 lijkt een uitlijning op het zomersolstitium eerder aannemelijk. D22 bevat een zeer precies aangegeven oriëntatielijn vanuit de hoek Sl1/Z1 langs een afgevlakte zijde (markering) aan Z1’a. Tussen Z1’a en Z1’b zit maar een kleine uitsparing en eigenlijk verwachten we op deze plaats maar één zijsteen. (Van Giffen meende eerste ook met één zijsteen van doen te hebben, getuige de veldplattegrond in zijn atlas.) Dit ondersteunt de idee van een opzettelijk aangebrachte oriëntatielijn. Verder staat de buitenzijde van Sl2 op 133°.

    In D21 maken oriëntatielijnen op 167° een wezenlijk onderdeel uit van de structuur van het hunebed. Ze lopen door de uitsparingen tussen de zijstenen van de Z-zijde naar de Z’-zijde. Zowel in D21 als in D22 kunnen de oriëntatielijnen op 167° met behulp van het gemeenschappelijke rooster worden uitgezet. Bij de bouw van D22 (ong. 3200 v.Chr. - Brindley’s horizont 3 [12.7]) is er een associatie met α-Crux mogelijk, maar dat geldt niet voor D21 (ong. 3350 v.Chr. - horizont 1 [12.8]). Rekening houdend met een iets aflopende bodem (-½°), kwam α-Crux tijdens de bouw van D21 bij ±163° op. Opvallenderwijs komt dit overeen met de oriëntatie van het initiële rooster voor D21 en D22 - zie de pagina Oriëntatierooster. De vraag rijst, of de oriëntatie na verloop van tijd kan zijn aangepast. Van Giffen heeft opgravingsfoto’s gemaakt, die aantonen dat er na de bouw nog is gesleuteld aan het hunebed. {Revisie}

    Op de foto’s [12.9] valt net boven en evenwijdig aan de primaire keldervloer een lichtgekleurde streep waar te nemen - min of meer ter hoogte van de secundaire vloer. De streep loopt aan de poortzijde over de drempelsteen, de zijsstenen, de stopstenen en de sluitsteen (de gele pijlen op de foto hiernaast) en moet het gevolg zijn van een kelderbreed gebeuren. De streep bevindt zich ook op draagsteen Z1, waaruit mag worden geconcludeerd dat hij niet tijdens de opgraving is ontstaan. Van Giffen trof hem liggend als onderdeel van de secundaire vloer aan [12.11] en heeft hem weer rechtop gezet. Mogelijk is de bovenlaag van de vloer een tijd lang vochtig geweest en is er een kalkverbinding in de stenen getrokken. Naderhand kan dan uitbloeiing optreden. (Hebben de stukjes gecalcineerd bot, die van Giffen in de kelder aantrof, ermee te maken? [12.10].) Hoe dan ook, de streep toont aan, dat de zijstenen aan de andere kant (Z2, Z3 en Sl2) bij het ontstaan ervan tijdelijk zijwaarts gekanteld lagen. Naderhand zijn ze weer rechtopgezet, zodat de streep op deze stenen vrijwel verticaal is komen te staan (de rode pijl).

    Na vijfduizend jaar kan er alleen nog worden gespeculeerd over de aanleiding van het gebeuren. Het aanpassen van het oorspronkelijke oriëntatieschema behoort evenwel tot de mogelijkheden. Om 163°-oriëntatielijnen om te zetten in 167°-oriëntatielijnen hoefden de draagstenen hooguit 10 cm te worden verplaatst. Dat zal geen wezenlijke problemen voor de constructie met zich mee hebben gebracht. Een eventuele verbouwing kan gelijk met de bouw van D22 hebben plaatsgevonden, wat het gemeenschappelijke rooster van beide hunebedden verklaart.

  • Dolmen Schuldt 632
  • Dit oerdolmen te Frauenmark komt wat betreft het gebruikte oriëntatiepatroon met D22 overeen (zie de pagina Oriëntatierooster). Beide hebben de noordoostelijke sluitsteen op 132° à 133°. Bij Spr. 632 staat deze exact uitgelijnd op het wintersolstitium. Verder is er vanwege de drempelsteen op 167° en een diagonaal op 193° een associatie met α-Crux rond 3500 v.Chr. mogelijk. De oprichting van het dolmen zou dan in de vroegste fase van de megalietenbouw in Mecklenburg hebben plaatsgevonden (FN-II, zie de pagina Chronologie), wat overeenkomt met de classificatie als oerdolmen [12.12]. Verder komen er oriëntatielijnen op 50° en 140° voor. De combinatie van 140° en 167° herinnert aan de constructie van D39 en D40 (zie de pagina Hunebedden met satelieten). Eventueel kan de 140°-oriëntatie als een benadering van de grote zuidelijke maanstilstand worden opgevat. Deze valt te Frauenmark op azimut 144°. Omdat de grote maanstilstand een zeldzaam verschijnsel is, hoeft een 4° noordelijker uitlijning niet te verbazen.

  • De centrale hunebedden met satelieten D23, D24, D25, D38, D39 en D40
  • Op de pagina Hunebedden met satelieten staat beschreven, hoe de onderlinge oriëntaties van de centrale hunebedden en hun satelieten tot stand komt.

    In Drenthe liggen de kleine en grote zuidelijke maanstilstand op resp. 122° en 143°. De onderlinge oriëntaties van 117° en 140°/143° vertonen daar op het eerste gezicht een redelijke overeenkomst mee. Dat de 117°-oriëntatie 5° noordelijker uitvalt dan de kleine zuidelijke maanstilstand, spreekt een werkelijke uitlijning echter tegen. Bij een benadering van de maanstilstanden verwachten we, vanwege de schommeling van de maanbaan ten opzicht van de zonnebaan, waarden tussen de kleine en grote stilstand. Een uitlijning op 117° past niet in dit beeld. Dat geldt wel voor de 140°-oriëntatie, maar hier is iets bijzonders aan de hand met de structuur van de hunebedden. Op basis van de plattegronden kan worden gesteld, dat een oorspronkelijke 143°-oriëntatie lijkt te zijn omgezet in een 140°-oriëntatie. Met andere woorden, een correcte uitlijning zou in een later stadium zijn verprutst. Dat klinkt weinig aannemelijk.

    Voor D39 en D40 geldt een oriëntatierooster op 171°, dat naderhand is teruggebracht op 167°. Wat betreft de opkomst van α-Crux zou dit in de tijd een retrograde beweging betekenen, zodat alleen de 171° als werkelijke uitlijning kan hebben gediend. Te Emmen kwam α-Crux rond 3200 v.Chr. bij azimut 171° op. Dat stemt overeen met Brindley’s horizont 3, waaruit het aardewerk van D40 dateert [12.13].

    D25 heeft een oriëntatierooster op 162°. Dat is voor Nederland een uitzonderlijke waarde, maar na analyse van het terrein behoort een associatie met α-Crux toch tot de mogelijkheden. Het hunebed ligt op de flank van het Hunze-dal en men kijkt richting 162° net met een meander van het riviertje mee (tegenwoordig het Kanaal Buinen-Schoonoord). Met een aflopende helling van -1¼° kwam de ster rond 3300 v.Chr. bij azimut 162° op.

  • Drouwenerveld D26
  • Het oriëntatierooster van D26 heeft een oriëntatie van 167°. In deze richting loopt het veld ietsje op (± 0,1°). Wanneer een uitlijning op α-Crux wordt verondersteld, dan zou dat rond 3400 v.Chr. vallen. Volgens de bijgestelde datering van Lanting (zie de pagina Chronologie) is dat 50 jaar te vroeg. Dit moet dan één van de eerste hunebedden in Drenthe zijn geweest (Brindley’s horizont 1 [12.14]).

  • Dolmens G5 en Sprockhoff 68
  • Dolmen G5 bij Heveskesklooster heeft een oriëntatie van 143°, wat overeen komt met de grote zuidelijke maanstilstand. Het oriëntatierooster op 170° leent zich op deze breedtegraad bij uitstek voor de oriëntatie op alle maanstilstanden. Dit zijn: de grote zuidelijke maanstilstand op 144°, de kleine zuidelijke maanstilstand op 122°, de grote noordelijke maanstilstand op 35° en de kleine noordelijke maanstilstand op 56°. In de linker figuur hieronder wordt de kleine zuidelijke maanstilstand verkregen door middeling van de 117°- en de 126°-lijn. Alleen de kleine noordelijke maanstilstand wijkt in het rooster 2° af en behoeft een kleine bijstelling, die dan ook in het dolmen is doorgevoerd. Overigens wijkt het dolmen aan de noordkant af van het rooster, alsof de zijstenen iets te ver richting de sluitsteen zijn geplaatst.

    Ondanks de mogelijkheden van het oriëntatierooster op 170° is het de vraag of er werkelijk aan een uitlijning moet worden gedacht. Qua oriëntatie vindt het dolmen zijn gelijke in het dolmen Spr. 68 te Langholz (Schleswig). In 1977 werd het dolmen opnieuw opgebouwd - daarvoor stonden alleen de donkergrijze stenen in de figuur hierboven nog overeind. Uit de afmetingen van het gerestaureerde dolmen mag worden aangenomen, dat het hetzelfde oriëntatierooster als G5 zal hebben gehad. Spr. 68 ligt noordelijker dan G5, met als gevolg dat de maanstilstanden daar niet overeenkomen. Bijvoorbeeld ligt de grote zuidelijke maanstilstand op azimut 147°. Net als bij het dolmen te Frauenmark zou dat een 4° noorderlijker uitlijning betekenen. Op zich niet zo vreemd voor een fenomeen, dat maar zelden voorkomt, maar de ideale formule van het rooster moet dan toch ter discussie worden gesteld. Het klinkt aannemelijker, dat een bruikbaar gebleken rooster ten onrechte werd toegepast in een andere situatie, dan dat een minder bruikbaar rooster elders werd toegepast en daar bij toeval bruikbaar bleek. Deze redenering veronderstelt dat G5 eerder werd opgericht dan Spr. 68, terwijl algemeen wordt aangenomen, dat de dolmens van Schleswig-Holstein in de tijd voorafgaan aan de monumenten in Nederland. Overigens bleek bij de opgraving van G5, dat van twee zijstenen grote stukken waren afgeslagen [12.15]. Mogelijk is de huidige plattegrond het resultaat van vernieuwde inzichten. Dat kan tevens de misplaatsing van de noordelijke draagstenen verklaren - alsof de aanpassing nog niet af was. De archeologen vonden het dolmen onder een dikke laag klei, met de dekstenen afgeworpen.

    Het oriëntatierooster van G5 heeft een oriëntatie van 170° en een diagonaal met de proportie 1:3 op 189°. Deze waarden spiegelen nagenoeg om het zuiden, zodat aan de omkomst en ondergang van een hemellichaam kan worden gedacht. Bij de bouw van G5 (horizont 1, ±3350 v.Chr. [12.16]) diende α-Crux zich aan als kandidaat.

  • Dolmen Sprockhoff 541
  • Dit is een bijzonder dolmen te Serrahn. Op de pagina Oriëntatierooster blijken twee manieren van oriënteren aanwezig en daarmee lijkt een oriëntatie op zowel de kleine en grote noordelijke maanstilstand als op de kleine en grote zuidelijke maanstilstand te zijn beoogd. De lengteas ligt op 121° - de kleine zuidelijke maanstilstand op 122°. De drempel ligt op 58° - de kleine noordelijke maanstilstand op 56°. De noordelijke sluitsteen staat op 32° - de grote noordelijke maanstilstand ligt op 33°. Vanuit de noordoostelijke hoek kunnen er twee lijnen langs de drempel worden getrokken. Via het ene oriëntatierooster loopt een roosterlijn zuidelijk langs de drempel op 148° en via het andere een diagonaal (met proportie 1:1) noordelijk van de drempel op 140°. Ook hier weer (vgl. Schuldt 632 en Spr. 68) een 4° noordelijker oriëntatie voor de grote maanstilstand, tenzij het midden tussen beide lijnen moet worden genomen - wat maar grofweg een oriëntatie oplevert.

  • Dolmen Sprockhoff 540
  • Dolmen Sprockhoff 540 te Serrahn staat met de lengteas op 167° en met een diagonaal op 193°. Deze waarden spiegelen zich om het zuiden en kunnen rond 3550 v.Chr. worden geassocieerd met de opkomst en ondergang van α-Crux. De oprichting van het dolmen zou dan in de vroegste fase van de megalietenbouw in Mecklenburg hebben plaatsgevonden (FN-II, zie de pagina Chronologie), wat enigszins aan de vroege kant is voor een vergroot dolmen [12.17].

    Behalve een uitlijning op α-Crux zou het dolmen nog een uitlijning op het wintersolstitium kunnen bevatten. Eén van de diagonalen door het dolmen loopt op 135°. Dit is 2° zuidelijker dan het solstitium op 133°.

  • Zuid-Franse dolmens
  • Het betreft hier de vijf dolmens, die op de pagina Oriëntatierooster voorkomen. Alleen bij Grammont 1 en Bourbouillet 2 worden uitlijningen op een grote maanstilstand gevonden. Grammont 1 staat met de lengteas en de poort op de ondergang van grote noordelijke maanstilstand (47°) en met een zijwand op ondergang van de grote zuidelijke maanstilstand (133°) uitgelijnd. Hier blijkt het gebruikte oriëntatierooster op 45° / 135° een aardig gemiddelde, waarvan de werkelijke uitlijning kan worden afgeleid. Voor de noordelijke maanstilstand 2° erbij en voor de zuidelijke 2° eraf. Bourbouillet 2 heeft een diagonaal op de opkomst van de grote zuidelijke maanstilstand. Verder worden er geen uitlijningen op de solstitia, de maanstilstanden of α-Crux gevonden.

    Beoordeling van de oriëntaties

  • Zon en maan
  • Wanneer er een marge van 2° wordt gehanteerd, kunnen er (met inachtneming van het hierboven vermelde) meerdere uitlijningen op de solstitia en de maanstilstanden worden gevonden. De opkomst van de zon bij het wintersolstitium en de ondergang bij het zomersolstitium zijn dan echter niet van elkaar te onderscheiden. De zuidelijke grote maanstilstand wordt aanhoudend op 140° gezet, terwijl dit 2° tot 4° te weinig blijkt. Heveskesklooster G5 en Langholz 68 vormen met een oriëntatielijn op 143° een uitzondering. Te Heveskesklooster levert dit de enige correcte uitlijning op de zuidelijke grote maanstilstand en te Langholz is dit toch weer 4° te weinig. Waar hunebedden op elkaar georiënteerd staan, blijkt ook de zuidelijke kleine maanstilstand foutief uitgelijnd en moet aan de bedoeling worden getwijfeld. Bij twee sites (G5 en Schuldt 541) blijken alle vier de maanstilstanden vertegenwoordigd.

    Win. ZW = winter zonnewende, Zom. ZW = zomer zonnewende,
    Nrd. GMS = noordelijke grote maanstilstand, Nrd. KMS = noordelijke kleine maanstilstand,
    Zd. GMS = zuidelijke grote maanstilstand, Zd. KMS = zuidelijke kleine maanstilstand.

    Onderstreepte waarden betreffen de ondergang van de zon of de maan.
    Alle lijnen met meer dan 2° afwijking zijn schuingedrukt.

    MonumentOriëntatielijn(en)Zom./Win. ZWZd. GMSZd. KMSNrd. GMSNrd. KMS
    D21133°131°
    D22133°133°
    Schuldt 540135°133°
    Schuldt 632132°, 140°132°144°
    G5143°, ±120°, 35°, 56°144°122°35°56°
    D25140°, 117°142°121°
    D39119°122°
    D40140°, 117°143°122°
    Spr. 68143°147°
    Schuldt 541141°, 121°, 32°, 58°144°122°33°56°
    Grammont 1133°, 47°133°47°
    Bourbouillet 2132°132°

  • α-Crux
  • In de inleiding van deze pagina wordt voor de uitlijning op een ster de noodzaak beschreven om de gegevens van verschillende periodes en breedtegraden met elkaar te vergelijken. De genoemde sites variŽren van ±3500 v.Chr. in Mecklenburg, via ±3200 v.Chr. in Drenthe tot ±2200 v.Chr. in Zuid-Frankrijk en voldoen daarom ruimschoots aan deze eis. Eventueel kunnen ze nog worden aangevuld met enkele door González-García gemeten oriëntaties in de oostelijke Rodopi van Bulgarije. Tussen de diverse oriëntaties vallen die van twee dolmens nabij Tsarkvishte op. Hun oriëntatie spiegelt zich weer om het zuiden met 198° en 162° [12.18]. Dit doet aan de situatie van dolmens ten zuiden van het Frans Centraal Massief denken. (Een nadere bestudering is hier wenselijk.)

    Rond de 53e breedtegraad valt de bouw redelijk samen met de bijbehorende opkomst van α-Crux. In Drenthe wijkt de aanvang bij D22 en D40 af, omdat de oprichting pas halverwege de periode plaatsvond, waarin alle hunebedden werden gebouwd. Vanwege de aflopende bodem komt bij D21, D22 en D25 het verdwijnen van α-Crux niet overeen met de eindfase van de megalietenbouw.
    Rond de 54e breedtegraad valt bij Langholz 68 en Barkvieren 92 de uitlijning ruim 100 jaar te vroeg.
    Rond de 46e tot de 42e breedtegraad wordt de tijd van de uitlijningen onzeker. In een gebergte kan de inclinatie van de horizon nogal verschillen. Uitgaande van +2° inclinatie [12.19], komen op de 46e en de 42e breedtegraad de megalietenbouw en de verschijning van α-Crux weer redelijk met elkaar overeen. Op de 44e breedtegraad valt de megalietenbouw 500 jaar eerder dan op grond van oriëntatie op α-Crux wordt verwacht.

    MonumentNdr. BreedteRegioOriëntatielijnTijd van α-Crux 1)Bouwperiode
    Schuldt 9254½°Mecklenburg193° - sluitsteen3660-3360 v.Chr.3550-3200 v.Chr.
    Schuldt 54053½°Mecklenburg167° - zijwand3540-3250 v.Chr.3550-3200 v.Chr.
    Schuldt 63253½°Mecklenburg167° - drempel3510-3210 v.Chr.3550-3200 v.Chr.
    G553½Drenthe170° - diagonaal3330-3160 v.Chr.3300-3100 v.Chr.
    D2153°Drenthe163° - halfdiagonaal 2)3370-2880 v.Chr.3300-3100 v.Chr.
    D2253°Drenthe167° - trilithon 2)3170-2880 v.Chr.3300-3100 v.Chr.
    D2553°Drenthe162° - rooster 3)3300-2800 v.Chr.3300-3100 v.Chr.
    D2653°Drenthe167° - trilithon, etc. 4)3400-3100 v.Chr.3300-3100 v.Chr.
    D4052¾°Drenthe170° - zijwand3200-3030 v.Chr.3300-3100 v.Chr.
    Minder duidelijke gegevens:
    Bougon F46½°Zuid Frankrijk162° - korte wand2650-2050 v.Chr.2600-1900 v.Chr.5)
    Pichouno±44°Zuid Frankrijk162° - sluitsteen2100-1500 v.Chr.2600-1900 v.Chr.5)
    Bourbouillet±44°Zuid Frankrijk162° - sluitsteen2100-1500 v.Chr.2600-1900 v.Chr.5)
    Tsarkvishte42°Rodopi, Bulgarije162° - zijwand1270-660 v.Chr.±1200-600 v.Chr. 6)

    1) Hier wordt de periode bedoeld vanaf de uitlijning op α-Crux tot het moment dat de ster voorgoed onder de horizon verdwijnt.
    2) Bij Bronneger D21 en D22 is een inclinatie van -½° meegewogen.
    3) Bij Bronneger D25 is een inclinatie van -1¼° meegewogen.
    4) Bij Drouwenerveld D26 is een inclinatie van -0,1° meegewogen. Behalve de oostelijke trilithons staan ook de poort en de sluitsteen S2 op 167°.
    5) De periode voor de dolmens ten zuiden van het Frans Centraal Massief is gebaseerd op koolstofdateringen betreffende het gebruik van de kelder en niet de bouw [12.20]. Een algemene inclinatie van +2° werd meegewogen, maar is niet op metingen gebaseerd [12.19].
    6) De dolmens van het oostelijke Rodopi-gebergte schijnen in de archaïsche periode van de Traciërs te zijn gebouwd [12.21]

    Conclusie

    De oriëntaties op de zonnewendes zijn vrij nauwkeurig, maar komen weinig voor. In Bronneger D22 kan het haast niet anders, dan dat men met de opzet van Z1’a en Z1’b een uitlijning beoogde. Hunebed D21 staat vanwege de poort waarschijnlijk ook uitgelijnd. Ten aanzien van de oriëntatielijnen van twee Mecklenburgse dolmens kan alleen worden opgemerkt, dat uitlijningen door middel van een diagonaal of sluitsteen vaker voorkomen.

    Oriëntaties op de maanstilstanden zijn veel algemener. Hoewel de oriëntatielijnen op de zuidelijke stilstanden meestal enkele graden te noordelijk lopen, lijken ze toch met de maanstilstanden in verband te staan. Met name de constructie van de uitlijning op alle vier de maanstilstanden bij Serrahn 541, terwijl de zuidelijke grote maanstilstand 3° te noordelijk uitvalt, pleit ervoor om deze afwijking voor lief te nemen. Uit de situatie bij Emmen D39 en D40 zou men zelfs kunnen concluderen, dat de afwijking opzettelijk werd aangebracht. Gezien het grillige karakter van de baan langs de hemel, hoeft een minder nauwkeurige uitlijning op de maan niet te verbazen.

    Uitlijningen op α-Crux zijn twijfelachtig. Bij diverse monumenten uit verschillende periodes en op verschillende breedtegraden stemmen de oriëntatielijnen overeen met de opkomst van deze ster, maar er zijn ook beduidend grote afwijkingen geclusterd in de regio’s rond de 44e breedtegraad. Alleen bij de betreffende Nederlandse hunebedden werd het werkelijke moment van bouwen achterhaald en kon een associatie worden bevestigd. Verder blijkt de periode van de eerste oriëntatie op α-Crux tot het voorgoed verdwijnen van de ster, qua duur goed overeen te komen met de duur van de megalietenbouw in een regio. Het tijdsbestek zelf wil nog wel eens verschoven liggen. {Revisie}

    Tenslotte nog een opmerking van algemene aard. Wellicht was de ideale constructie belangrijker dan de werkelijke uitlijning. Dit hoeft niet te bevreemden als we bedenken, dat de opkomst van α-Crux bij een noord/zuid-verplaatsing van maar 15 km of een tijdsverloop van maar 30 jaar al 1° verschoof. Voor de opkomst van zon en maan geldt een verschuiving van 1° per 100 km rond de 53e breedtegraad. De beperktheid van een directe uitlijning was dus in een mensenleven zichtbaar. Bovendien, wat betreft het praktische nut van een uitlijning, zou het van overdrijving getuigen om alle monumenten in elkaars nabijheid van dezelfde oriëntatielijnen te voorzien. Bij de constructie van een oriëntatiepatroon moet mogelijk meer waarde aan de symboliek worden gehecht dan aan de uitlijning. Een oriëntatiepatroon kan dan worden beschouwd als de fossiele weergave van een initiële setting, die in een ’centrum’ werd ontwikkeld en van daaruit verspreid, zonder dat men de constructiewijze aanpaste. Daarbij kan worden gedacht aan de verhuizing van een bevolkingsgroep, maar ook aan een ’school’ van vaklieden, die in een groot gebied dezelfde constructietechnieken toepaste. De voorkeur voor één van beide hangt af van hoe afgebakend dan wel diffuus iemand de verspreiding van cultuurelementen wil zien (afwisseling van culturen versus onderlinge beïnvloeding). Ten aanzien van de oriëntatie op de maan kan aan een noordwaartse beïnvloeding worden gedacht, wat de te noordelijke uitlijningen op de kleine maanstilstand verklaart. Uit de tabel van de oriëntatie op α-Crux spreekt eerder een zuidwaartse verplaatsing.